Waarom lucht in plastic zit

Droevige druppels van lucht zitten vast in het harde plastic dat dient als goedkoop glas. Waarom men ooit heeft bedacht dat het mooi is om luchtbellen in plastic schuifdeuren te stoppen snap ik niet. Het is niet zo dat de douche er zo mooier op wordt. Naast warme druppels voel ik ook tranen. Denk ik. Ik huil, maar weet niet waarom. Misschien omdat ik op de weg naar huis de laatste bladzijden van een tragisch boek las. Omdat ik net een tekst las die me aan mijn opa deed denken. Omdat ik graag wil slapen. Omdat ik naar mijn benen kijk en de opengekrabde bultjes kan tellen. Omdat ik daarom dus een dikkere panty aan moet morgen. Geen idee waarom, het is gewoon zo. Gek eigenlijk, want het gaat goed met me. Ik kan veel mensen bedenken die reden genoeg hebben, maar met mij gaat het goed. Behalve dan dat ik graag weg wil uit de droeve douche in mijn studentenflat. Dat ik überhaupt weg wil uit deze studentenflat. Maar buiten dat gaat het goed. Prima. Scriptie, diploma, baan, tweede poging rijexamen. Ik kan ook niet verwachten dat het universum twee maanden lang in mijn voordeel speelt. Of dat ik mezelf alleen maar successen breng. Zo gek is het ook eigenlijk niet. De hele dag ben ik online en de dingen die ik overdag offline doe zijn uiteindelijk voor online bedoelt, want dat is mijn werk. Thuis in de avond als er niemand is ben ik ook online. Niet dat ik er zelf veel te vertellen heb, ik zou graag ontzettend leuk zijn op instagram en twitter maar mijn ambities zijn nou eenmaal niet hoog genoeg. Offline praat ik de hele avond met niemand, als ik alleen ben. En dat is dan weer een beetje triest. Net als het feit dat ik niet tot honderdtwintig kan tellen omdat mijn gedachten het proces verstoren. Dat mijn hoofd sowieso wat moeite heeft met honderdtwintig halen in een rechte lijn. Ik ga altijd van 79 naar 100 en van 99 naar 80. Geheel automatisch. Daarom duurt mijn douche in mijn hoofd vaak 10 minuten maar in het echt veel te veel langer. Vreemd ook dat je hoofd dit soort dingen automatisch doet en ook jarenlang vol blijft houden. Ik kan pas onder de douche uit als ik tot 60, 120 of 150 heb geteld. Je zou zeggen dat het iets weg heeft van dwangneurose maar ik hou gewoon heel erg van warm water. Normaal krab ik bultjes die ik onnodig vind op mijn armen open. Stress heet dat. De enige manier om aan mij te zien dat ik echt stress heb. Maar mijn armen zijn leeg van bultjes, vol met littekens. Om een of andere reden ben ik van mijn armen naar mijn benen gegaan, en dat zonder stress. Misschien is dat toch ook wel een vorm van dwangneurose. Misschien ben ik gewoon een beetje gek. Dat kan ook. Daarom huil ik soms om niets onder de douche. Omdat ik nou eenmaal een beetje raar ben. Maar dat is altijd beter dan luchtbellen in een plastic schuifdeur in de treurige, grauwe douche.

Advertisements

HET SUCCESVOLLE LEVEN VAN EEN NEDERLANDSE RAPPER

‘Spreek jij Braziliaans?’, vraagt hij aan een meisje dat aan de andere kant van het gangpad zit. Hij zit al een uur in de bus druk met zijn armen te zwaaien, pen in zijn hand, papier op schoot. Het juiste ritme krijgt hij maar niet te pakken en dat irriteert hem. Alles lijkt hem zo moeilijk af te gaan de laatste maanden, dat hij enkel nog aan zichzelf twijfelt.

Hij heeft het gemaakt. Zijn albums kregen min sterren in recensies en verkochten slecht. Zijn tv optredens waren beschamend. Hij werd de slechtste rapper van Nederland genoemd, maar hij was wel de shit. Hij had zijn leven in de hand, alles ging precies zoals hij altijd gedroomd had. Hij werd gepest op school, ging rappen, kreeg het mooiste meisje van de klas, en haar vriendinnen er meteen bij. Zijn eerste keer was een trio. Hij begon met rappen om populair te worden, en dat lukte hem. Maar op Nederlandse rappers zit een houdbaarheidsdatum, dat wist hij zelf ook wel toen hij zijn leven opbouwde. Niet op hem, hij zou de eerste Nederlandse rapper worden die ook na de jaren 80 nog steeds de shit was, de man, de P Diddy van de lage landen. Nee, niet alleen Nederland, hij zou naar Amerika verhuizen en daar gewoon de nieuwe P Diddy worden.

Alle platenlabels lachten hem uit en toch gaf er één hem een contract. Twintig jaar later hebben ze daar nog steeds spijt van. Zijn raps waren provocerend, zonder inhoud en konden alleen opgenomen worden als er een groep vrouwen in de studio stonden die voor de gelegenheid van de Wallen waren geplukt. Toch bracht hij wat geld op dankzij een selecte groep mensen die op een of andere manier zijn muziek wel konden waarderen. Hij trouwde met het mooiste meisje van de klas en bewaarde alle nummers van haar vriendinnen, gewoon voor het geval dat. Die nummers gebruikte hij wat te vaak, en hij verzamelde er wekelijks in de kroeg nog een aantal bij. Hij scheidde van het mooiste meisje van de klas en verhuisde naar Amsterdam Oud-Zuid. Twee verdiepingen met uitzicht op de ramen aan de Ruysdaelkade.

Zijn heartbreak album was de grootste flop van het jaar. Recensenten namen niet eens de moeite om er woorden aan vuil te maken. Waar hij zijn hele carrière voor vreesde was waarheid geworden. Dutch Diddy was over zijn houdbaarheidsdatum heen. Het was klaar, finito, de man was gewoon shit en niet meer de shit. Om hem heen werd het grauw, maar hij zag alleen nog kleuren van de drugs en alcohol die hem in leven hielden. Drugs en alcohol en seks. Het geld dat hij had overgehouden aan zijn muziek en actiepoppen, want ja die had hij laten maken, gaf hij uit aan de lieve dames aan de Ruysdaelkade. Ze troostten hem en gaven hem het gevoel dat hij man was, eentje die echt iets betekende voor ze. In de weekenden ging hij hallucinerend van de drugs en met een fles whisky in zijn hand op bezoek bij zijn ex-vrouw. Verder dan de voordeur kwam hij nooit, waarschijnlijk omdat hij die gebruikte als toilet, voor hij aanbelde. Hij liep na vijf minuten altijd weer weg en ging subtiel met zijn sleutel nog even langs de auto van haar nieuwe man.

Hij kwam nergens meer. Vier weken lang was zijn leven al een puinhoop. Dagen zat hij alleen op de bank whisky te drinken en presentatoren uit te schelden op tv. Peter R de Vries is ook gewoon een uitgespuugde kaassoufflé. Normaal zou hij dat verwerken in een rap, maar hij was gestopt met schrijven. Hij zat vol zelfmedelijden en haat en deed hier niks mee. Zijn mooie huis in Oud-Zuid was een bende, het begon te lijken op een kluizenaarspand. Plots stond er een schone dame voor de deur. Hij snapte het niet, want hij had al zeker een week geen hoer gebeld, daar vond hij zichzelf te zielig voor. Ze was een schoonmaakster, gestuurd door de onderbuurvrouw die de stank niet meer aankon. Hij was verbijsterd van haar schoonheid, maar was vooral geïnteresseerd in haar nummer. Hij keek toe hoe ze zijn huis poetste en was betoverd. Eenmaal klaar hield hij haar tegen bij de deur om haar mee in bed te krijgen, maar ze sprak geen Nederlands en ondanks de overduidelijke gebaren die hij maakte, zwaaide ze en liep ze de trap af.

Hij kreeg de Braziliaanse vrouw niet uit zijn hoofd. Het was zo’n prachtig wezen. Hij vroeg zich af of alle vrouwen in Brazilië zo zouden zijn. Die gedachte bracht hem tot inkeer: Brazilië was het beloofde land. Zijn hoofd stroomde vol met teksten die hij kon verwerken in nieuwe raps. Elk nummer een ode aan de billen, borsten en lippen van de Braziliaanse vrouw. Maar zijn raps hadden in het Nederlands natuurlijk geen effect. De liefde voor Brazilië werd niet gedeeld. Zijn nummers werden niet gehoord, en nog steeds zat hij in die afgrond. Nu echter met een sprankje hoop.

De slimste was hij niet, zo zonder opleiding, maar hij keek het nieuws en las de kranten. Hij wist dus precies wat een doelgroep inhield en wat hij moest doen om deze te bereiken: een marktonderzoek. Dit pakte hij slim aan. Hij selecteerde een groepje van zijn huidige fans en een groep liefhebbers van Braziliaanse muziek. Deze gaf hij een enquête met vijf vragen over Brazilië en zomerse muziek. Na twee dagen rekenwerk kwam hij tot de conclusie dat zijn doelgroep zich helemaal niet in Nederland bevindt. Met deze wetenschap ging hij aan de slag met een nieuw album. Dat bleek nog best lastig; Nederlands kon hij niet meer gebruiken in zijn raps en Engels was natuurlijk al lang niet meer origineel. Hij ging het gewoon proberen in het Braziliaans. Dat was immers de taal van zijn nieuwe doelgroep. Zo moeilijk kon het ook niet zijn. Google Translate biedt altijd uitkomst. Behalve nu. Hij begreep het niet. Braziliaans stond nergens als taal aangegeven. Het maakte hem boos en opstandig. Hij zou het allemaal wel zelf doen dan.

Al zijn pogingen mislukten. Zelfs het lukraak brabbelen van woorden met een Braziliaanse toon was geen succes. Daar prikte zijn fans natuurlijk zo doorheen. Hij moest er even tussenuit. Het schrijven van raps ging hem vast beter af in warmere oorden. Hij boekte een tripje, naar het zuiden. In Limburg scheen het altijd warmer te zijn, zo had hij gehoord. Daarbij spraken de mensen daar ook allemaal buitenlands, dus er was vast iemand die hem kon helpen met vertalen.

Hij pakte zijn spullen: kleren, een paar vuile onderbroeken uit de wasmand, laptop, papier, pen, koptelefoon en een volle fles whisky. Voor hij vertrok maakte hij snel nog een facebookpagina aan, “Dutch Diddy goes South”. Hierop zou hij elke dag van zijn reis een kort verslag plaatsen, zodat iedereen zijn levens veranderende trip kon volgen. Eenmaal de deur uit kon zijn reis beginnen. De eerste tussenstop was bij de coffeeshop twee straten verderop. In Limburg hadden ze die vast niet. Twee uur en drie joints later stond hij voor het eerst in maanden weer voor de deur van zijn ex-vrouw. Nog één keer zou hij daar staan zeiken. Na zijn trip zou alles veranderen, dus zou het bezoeken van het huis overbodig zijn. Haar nieuwe man had weer een nieuwe auto. Een Lamborghini deze keer. Met zijn complete sleutelbos (5 stuks) liep hij langs de auto. Rood vond hij toch een lelijke kleur. Nu kon zijn reis echt beginnen.

In de bus kijkt het meisje hem wat vreemd aan. “Uh, nee dat spreek ik niet, maar daar spreken ze toch Portugees?”, vraagt ze hem. “Nee, Braziliaans, maar dat maakt niet uit”, corrigeert hij haar vriendelijk. “Spreek je Portugees dan?” Ze heeft lange bruine lokken en fel blauwe ogen, die verward naar hem staren. “Nee dat ook niet.” Verdomme, maar ze is wel knap dus hij moet iets anders proberen. “Het zit namelijk zo”, begint hij. “Ik ben rapper. Jaren heb ik succes gehad met Nederlandse raps, maar daar ben ik helemaal klaar mee. Engels is ook niet origineel, weet je. Daar verover je de markt niet meer mee tegenwoordig.” Bij het woord rapper lijkt het meisje meer interesse in hem te hebben. “Dus ik heb een marktonderzoek gedaan naar mijn eigen doelgroep, he. En daar blijkt dus uit dat 80% van mijn doelgroep Braziliaans is. Ik spreek natuurlijk wel wat Braziliaans, maar ja, ik kan bij niemand mijn raps testen, als niemand mij verstaat.” Ze trapt erin. Hij ziet het meteen, ze valt als een blok voor hem. Het maakt hem niet uit dat ze pas 18 is. “Aha”, zegt ze. “Ik zing, dus als je ooit nog backing vocals nodig hebt?” Jackpot. Hij vraagt haar nummer, en krijgt dat ook zonder enige twijfel. Hij zegt gedag en stapt bij een willekeurige halte uit. Of ze echt kan zingen weet hij niet. Hij zal haar bellen als hij vanavond aan haar denkt.

Waarom ik eigenlijk niet van eieren houd

Ik denk vaak, – Goh, ik heb zin in een gebakken eitje, scrambled eggs, een lekker omeletje, maar niet gekookt, dat is alleen lekker in salade. –
Dus ga ik naar de winkel en koop ik eieren. Een doosje van zes, daar kan ik even mee vooruit. Gas aan, boter in de pan en één voor één de eieren breken. Schouderklopje als er geen schilletjes mee komen, en heel snel handen wassen. Rauwe eieren voelen vies aan. Halverwege het bakken heb ik eigenlijk al geen zin meer in ei. Ach, dat kom wel als het gebakken en wel op mijn bord ligt.
Ja, de eerste hap is goed, de tweede lekker, de derde hap wil ik eigenlijk al niet meer. Ik ben het ei alweer zat. Jammer, mijn bord ligt nog vol. Tijdens het eten denk ik, – Waarom had ik zin in eieren? –

En dat is waarom ik eigenlijk niet van eieren houd.

De man van duizend woorden

De man die u hier voor u ziet, is de man van duizend woorden.
Gevormd door duizenden letters.
Harde woorden, zachte woorden, duidelijke woorden. Maar altijd duizend woorden, waarmee hij sprak en schreef.
Want mensen, mensen, mensen zijn gek, zien niet wat ze doen.
De man schreef kloppende woorden, met gemak. Zijn pen wist dat hij gelijk had. Toen al, en nu nog steeds.
Hij bracht zijn geschreven woorden aan een ieder die het moest weten. De man was ongehoord, onbegrepen.
De man vertelde woorden over politiek, het milieu, de wereld en het universum. Dat eeuwig doorgaande universum.
De wereld ging hem aan zijn hart. De wereld is gek. Mensen zijn stom, dom, achterlijk.

De man van duizend woorden kwam nooit woorden tekort, tot nu.

De man van duizend woorden viel stil, onbegrepen,
niet ongehoord.
Zijn woorden worden gedragen,
Zijn woorden worden gemist,
Zijn woorden worden nooit vergeten.

Lieve M

Lieve M,

Ik mis je. Zo nu en dan vraag ik me af hoe het met je gaat, wat je doet. We hebben elkaar zo lang niet gezien. Opeens kom je dan in mijn gedachten. Zie je er nog hetzelfde uit. Misschien ben je wat volwassener geworden, is je gezicht wat ruwer geworden. Zijn je ogen wat meer gaan stralen, is je haar kort of juist lang.

Laatst was ik in Parijs. Jij ook, dat zag ik aan je berichten. Waar ik zat te eten in de zon op een terras, liep jij een winkel binnen, een straat verderop. De kathedraal die ik bezocht had jij een dag eerder al gezien. Ik dacht nog dat ik je zag. Ver weg op een plein. Alleen je rug kon ik zien, dus zei ik niks. Waarschijnlijk was je het ook helemaal niet, wij zien elkaar niet per toeval.

Soms wil ik je wat vertellen. Hoe mijn dag is, hoe mijn leven nu is. Hoeveel ik ben veranderd. Maar waarom zou jij dat willen weten? Waarom zou ik het vertellen? Jaren zijn voorbij gegaan. We kenden elkaar door en door. Nu zijn we misschien wel vreemden. We kennen elkaar niet meer. Twee vreemden die denken elkaar te kennen. Soms durf ik niet tegen je te praten, bang dat je er niet op zit te wachten. Geen zin hebt in mijn verhalen. Mijn verlegenheid komt dan terug en ik weet niet hoe ik een zin moet beginnen, dus besluit ik om niks te zeggen.

Mijn nachten eindigen soms raar. Jij in een droom, soms herken ik je, soms niet. Heb jij dat ook? We hadden altijd rare dromen, dezelfde nachten, of iets wat er op leek. Nu ben ik je daar al een tijd niet meer tegengekomen. Misschien is dat een goed teken. Ik raak verward door dromen, het gevoel waarmee ik wakker word.

Als ik terug denk aan toen begin ik me soms aan je te ergeren. Herinneringen over dingen die ik niet wil herinneren, die me vervelen. Juist die herinneringen schieten opeens over mijn netvlies. Een paar seconden. We waren raar, en erg jong. Dat is niet veranderd, alleen zijn we nu gewoon jong. We zeiden ‘voor heel lang, of altijd’, maar altijd duurde kort. Ik verwachtte niet je nooit meer te zien. Als we thuis zijn, zijn we altijd ver weg. Ver weg zijn we altijd dichtbij. Toch zien we elkaar niet. Dat zal dan wel zo horen.

Terwijl ik dit schrijf weet ik nog steeds niet wat ik je wil zeggen. Ik mis je niet, eigenlijk. Met jou zou mijn leven heel anders zijn. Ik heb het prima nu, dus denk ik dat ik je niet mis. De gedachte je ooit te zien maakt me zenuwachtig. Als je opeens een bericht stuurt schiet er even paniek door mijn hoofd. Ik weet niet hoe ik moet reageren, we zijn zo veranderd.

Misschien zien we elkaar ooit, per toeval. Ik zal klungelig naar je zwaaien, met kloppend hart en trillende benen. Hoi zeggen, vragen hoe het gaat. Dan zien we elkaar voor jaren niet meer, waarschijnlijk. Zo hoort dat te gaan.

Voor nu, tot ooit. Het zal wel goed met je gaan. Met mij ook.

Liefs.

Eikel

Herfstige zonnestralen op mijn gladde huid.
Wat een geluk, een tweede zomer.
Kon ik altijd maar genieten van deze zon.
Ik mis alleen wat aandacht.
Mijn soortgenoten liggen verspreid over het gras,
te ver weg om gezelschap te houden.
Ach, waarom zouden ze ook.
Ik ben toch een eikel.

Het zware bestaan van een kluizenaar

Krakend en kreunend staat hij op uit de stoffige, geruite stoel. Met enige moeite schuift hij zijn linker voet vooruit. “Die godverdomde sloffen verplaatsen zichzelf”, mompelt hij. Hij schuift zijn voeten, één voor één, in de sloffen. Donkerbruine wollen gaten sloffen, met uitstekende grote tenen. Hij beweegt zich naar de keuken, waar een koffiezetapparaat op een vol aanrecht staat. De filter, gevuld met oude, droge koffie, verspreidt een muffe geur. Hij trekt zijn neus op, gooit de filter in een halfvolle vuilniszak, die naast de prullenbak staat, en pakt een nieuwe filter uit de kast. Stilte heerst in het vervallen huis. Soms kraakt het dak, zoemt er een vlieg door de donkere woonkamer. Verder maakt alleen hij geluid. Het ritselen van het pak koffie, een rammelend kopje dat op een schoteltje wiebelt, terwijl hij het met trillende hand neer probeert te zetten.

Gebonk klinkt op de deur. De man reageert er niet op. “Kom op pa, je zal toch een keer de deur open moeten doen? Ik kom nieuwe kleren brengen, je weet wel, zonder gaten en met een frisse geur.” Hij staart door een kiertje van het gordijn, de overwoekerde achtertuin in, en drinkt zijn koffie. “Pa, doe nou open. Ach, weet je, bekijk het maar.” Een plastic tas wordt op de grond gegooid, hakken stampen hard op de tegels. Ze is weg. Hij zucht en neemt een flinke hijs van zijn zware shag. Het valt hem soms zwaar dat hij zijn dochter niet ziet en spreekt. Hij verandert er niets aan, hij heeft hier eenmaal voor gekozen.

Hij komt zelden buiten. Een keer in zijn eigen achtertuin, als hij zeker weet dat de buren niet thuis zijn. Dan geniet hij even van de zon, rookt een paar shagjes en wiebelt met zijn blote tenen in het lange gras. Hij verlangt vaak naar frisse lucht, de wind om hem heen, de geluiden van buiten.  Elke dinsdagochtend gaat hij naar de supermarkt bij hem om de hoek. In zijn oude, grijze jas vol vlekken sjokt hij naar de winkel. Hij koopt een brood, koffie, kaas en een krat bier. Mensen kijken hem met verbaasde blikken aan en fluisteren naar elkaar, terwijl hij zijn boodschappen afrekent. Vervolgens vraagt hij bij de balie om zeven pakken zware Brandaris en een doosje Mascotte vloei. Vaak biedt het altijd aardige kassameisje hem nog een gratis product aan. Men denkt dat hij arm, alleen en zielig is. Beleefd slaat hij het aanbod af, hij zou immers bang moeten zijn van dingen die anderen hem aanbieden. Schuw voor contact met mensen.

Zijn huiskamer ruikt naar bier, rook en stof. Hij kijkt om zich heen en schudt zijn hoofd. Na de scheiding was alles netjes geweest. Poetsen vond hij niet erg, want niets was zo vreselijk als een vies, muf, stoffig huis. Hij leeft in zijn eigen nachtmerrie, en heeft daar bewust voor gekozen. Het valt hem vaak zwaar, leven als een kluizenaar. Hij twijfelde ook lang toen hem gevraagd werd deze taak te vervullen. Zijn baas had hem net ontslagen en op zijn leeftijd was het moeilijk nog aan werk te komen.  De burgemeester bood hem aan een ander leven te leiden. In een rol te kruipen voor een paar jaar. Haarlem had immers nog geen kluizenaar. Het leek hem een makkelijk taak en het betaalde goed. Maar een goede kluizenaar bleek een moeilijke rol.

“Ha”, ontglipt uit zijn keel. “Vreselijk, wat een slechte kluizenaar ben ik ook”, zegt hij meer tegen de peuk in zijn hand, dan tegen zichzelf. Zijn huis lijkt perfect op dat van een kluizenaar. Vies, oud en vervallen. Zijn kleren zien er precies hetzelfde uit, en toch doet hij iets niet goed. De kattenbak van zijn overleden kat staat nog in de keuken. Dat was zijn grootste fout. “Welke kluizenaar overleeft nou zijn eigen kat?” Had hij zichzelf gevraagd. De kat hoort juist bovenop het levenloze lichaam van zijn baasje te zitten, dat na een maand of drie gevonden wordt, omdat de buren klagen over een ondragelijke stank. Zover wilde hij het toch niet laten komen. Zijn dochter wil hij niet eeuwig negeren, dat is nooit zijn bedoeling geweest. Drie jaar is hij kluizenaar van Haarlem. De burgemeester is tevreden met hem, de stad krijgt meer aandacht en zijn huis lijkt soms een bezienswaardigheid. Ze wilde hem langer als kluizenaar, hij deed het goed, maar hij weigerde. Hij wil genieten van zijn pensioen. Misschien heeft hij wel kleinkinderen, hij weet het niet. Drie jaar is voldoende. Hij heeft de krantenkoppen al opgeschreven. “Kluizenaar begint nieuw leven na overlijden kat”. En nooit zou hij meer terugdenken aan zijn kluizenaarsbestaan.

Kleurloze liefde

“Lekker hoor”, roept hij naar het dansende meisje. De jongen kijkt haar verlekkerd aan, een biertje in zijn hand, zweetvlekken verspreid over zijn blauwe blouse. Ze kijkt hem kort aan en draait zich snel een halve slag om. De jongen was niet bepaald aantrekkelijk en had een dronken blik in zijn ogen, veroorzaakt door een paar liter bier. Ze verafschuwt dergelijke kroeggangers. Vrijgezellen die na één biertje alles pakken wat ze pakken kunnen en elk meisje met een cup groter dan ‘C’ met een geile blik aankijken. Hun tong half buiten hun mond. De een lelijker dan de ander. Allemaal met een laagje vet en een beginnende tot gevorderde bierbuik. Kalende kruin of vettig haar, op het hoofd geplakt met te veel en te dure gel.

Ze negeert de jongen, zoals ze bij de meeste doet, en danst verder op de live piano muziek. Een glas wijn in haar linkerhand, waar bij een grote hups van haar linker naar haar rechter voet een halve slok van het vocht overheen klotst. De hoeveelheid gedronken wijn maakt dat niets haar nog kan schelen. Haar rode wangen van de hitte, warrige haren van het springen, haar afzakkende broek en haar borsten die met haar wilde bewegingen op en neer deinzen. Ze is vrij in haar eigen wereldje.

Ze voelt een hand op haar schouder, haar shirt plakt aan haar huid. Ze herkent zijn gezicht meteen zodra ze zich omdraait. “Hoi”, roept ze verrast. Hij buigt naar haar toe en geeft haar drie kussen op de wangen. Ze voelt zijn hand rusten om haar middel. Hun wangen raken elkaar drie keer lang genoeg om zich aan elkaar vast te zuigen, en vervolgens weer los te rollen. Een onzichtbare afdruk achterlatend. Haar groene ogen ontmoeten opnieuw zijn chocoladebruine ogen. Ze komen haar zo bekend voor, net als zijn volle bruine haar dat klungelig naar achteren is gestreken. Een sullige glimlach vult zijn gezicht. Ze hebben elkaar een paar maanden niet gezien en gesproken. Ooit deelden ze een zoen, en meer. Ze hoorde niks meer van hem. Ze deed zelf ook geen moeite. Het was net als de vorige keer. “Alles goed?”, denkt ze van zijn lippen te lezen. Ze steekt haar duimen omhoog, het gaat goed met haar. Met haar wijsvinger wijst ze naar hem. “Ja, ook wel eigenlijk”, hoort ze, gemengd met piano klanken.

Op een gewone avond zou ze hem niet willen zien, maar niks kan haar nog schelen om 16 minuten over 1 in de nacht. De wijn heeft haar hoofd overgenomen, ze wiegt en draait met haar heupen en laat zijn handen toe rond haar middel. Ze dansen op alle nummers die passeren. Twee bezwete lichamen tegen elkaar. Lippen raken zo nu en dan. Lang en vochtig, kort, vluchtig, vlak voor een draai. Beide lachen om alles wat de ander zegt, knikken ja, schudden soms nee. Ze verstaat niets van wat hij zegt, ze wil het ook niet horen. Woorden doen haar niets deze avond. Het enige wat ze verlangt is een warm lichaam tegen het hare.

Ze dansen tot zij moe is en besluit naar huis te gaan. Hij probeert haar nog wat langer bij zich te houden. Ze kust hem nog één keer en draait zich om. Buiten waait het hard, de kou lijkt haar bijna nuchter te maken. Ze zou nog een week, of drie, aan hem denken. Meer niet, alleen denken aan deze nacht, zonder verlangens. Ze weet dat ze niks van hem zal horen in de ochtend, de dag erna of de weken, maanden die volgen. Ze zal hem wellicht per toeval een zien. Misschien ook niet. Het kan haar niets schelen. Haar nacht was gevuld met kleurloze liefde.

Zomer komt morgen weer

Grijze wolken kleuren het licht wit en helder. Het is frisjes, geen zomer vandaag. Regen is nog niet gevallen, maar dat is alleen een kwestie van tijd. Het is buiten al voelbaar, waterdruppels wachten op een gevecht met zwaartekracht. Wat ze natuurlijk gaan verliezen. Ach, water deert ons niet. Misschien doe ik vandaag nog wel een dansje in de regen. De zon mag nog even wachten. Zomer komt morgen weer.